St. Augustinuskerk glas-in-lood H.Geest

Fiat voluntas tua, sicut in cælo et in terra

Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel

WIE LIGT ER IN DE KIST?

doodskist

Het is gebeurd in een klein dorpje ver van hier. Het was 'n rustig dorp. Nooit gebeurde er iets opwindends. Natuurlijk: de boeren werkten hard op hun land en hun vrouwen schrobden ijverig hun stoepjes en dronken 's middags thee bij hun buurvrouw. Zelfs de kinderen gingen elke dag keurig naar school en spijbelden nooit. Dat kon ook niet, want niets bleef in het dorpje verborgen. De mees­ter zou het binnen tien minuten al weten!

Naar de kerk gingen de mensen ook. En als de pastoor dan preekte, dan zaten de meeste boeren te dutten, ruilden de kinderen plaat­jes van filmsterren en deden de vrouwen alsof ze aandachtig luisterden (al zaten de mees­ten met hun gedachten al weer bij de pruttelende koffie die na de mis gedronken zou worden).

Maar op een dag gebeurde er iets dat het dorp in een hevige beroering bracht. Nog jaren zou daarover gesproken worden! Op een zondag vertelde de pastoor dat er iemand in het dorp gestorven was, maar hij zei er niet bij wie het was. De vrouwen stootten hun mannen wakker en de kinderen stopten met plaatjes ruilen. Wie zou dat nou in Godsnaam kunnen zijn? Nooit bleef er iets in het dorp verborgen. Wie was de bekende, onbekende dode? Het gonsde daarna van geruchten in het dorp. Het hele dorp was van slag af. Er werd niemand vermist en van geen enkel huisje waren de gordijnen dicht. Met grote spanning wachtte men de dag van de begrafenis af.

En die woensdag, u begrijpt het al, zat de kerk tjokvol met mensen. De boeren hadden die morgen hun ploeg laten staan en de vrouwen hadden hun mooiste zwarte jurk aange­trokken. Na ’n indrukwekkende preek liet de pastoor de deksel van de kist halen. De dorpelingen kregen gelegenheid voor een laatste groet. Maar ja, wie lag er nu in Gods naam in die kist? De eerste mensen schuifelden de banken uit en keken in de kist, ze wer­den asgrauw en keerden ontzet weer naar hun plaatsen terug.

Ze stonden te trillen op hun benen. De kist was namelijk leeg! Maar op de bodem van de kist lag een grote spiegel. En iedereen die in de kist keek zag op de bodem zichzelf liggen! Toen begrepen de dorpelingen wat hun pastoor eigenlijk wilde zeggen. Zij waren langzamerhand wel erg ingedut. Zij hadden nog nauwelijks oog en oor voor de wérkelijke vragen van het leven. Zij beseften toen dat God er in hun leven eigenlijk maar een beetje bij hing. Hij nam niet werkelijk een centrale plaats in hun leven in. Natuurlijk, ze gingen elke zondag trouw naar de kerk, maar meer was het ook niet.

Misschien vindt u het een bizar verhaal. Maar het is een verhaal waaraan ik moest denken, toen ik het verhaal van de profeet Ezechiël las over de dorre doodsbeenderen. ‘Verdorde beenderen’, zegt de profeet Ezechiël, ‘het hele dal ligt er vol mee - ze zijn verdord en verbleekt’. En ik dacht: hoe kunnen die dorre beenderen ooit weer tot leven komen? En dan trekt de profeet eropuit en roept tot de mensen: ‘ik kom jullie zeggen, dat jullie weer tot leven moeten komen. God zal weer een huid over u heentrekken en u nieuwe levensadem inblazen’. En terwijl de profeet sprak, hoorde hij een geluid en zag mensen in beweging komen. De mensen werden levend, de geest kwam in hen, en ze gingen overeind staan. Het was een menigte, zo groot, dat niemand die kon tellen. ‘Deze botten’, zei de profeet, ‘betekenen het hele huis van Israël.’

Een verhaal is al duizenden jaren oud, maar eigenlijk steeds nog actueel. Hoeveel dode mensen tellen wij niet in ons midden? En hoe gaan wij om met de dode momenten in ons leven? Momenten waarop we vanzelf voorbij hollen in onze jacht naar geld, status, bezit, roem, macht en eer. En bij het ouder worden, merk je hoe het leven je langzamerhand ontglipt. Dan sta je daar met lege handen. Zo druk bezig met jezelf, dat je niet eens in de gaten hebt dat je afsterft, dat je liefde verdroogd is als een plas water, uitgegoten in het dorre, droge zand van de woestijn.

Feesten als Pasen willen deze houding doorbreken. Het gaat niet meer over carrière- en machtsvraagstukken, en over geld en goederen. Het gaat over dood en leven. Het Paas­feest is daarmee geen feest van oude en afgeleefde mensen die al met één been in het graf staan. Er zijn mensen onder ons die al met rond hun twintigste met beide benen in 't graf staan. Maar Pasen is het feest van beide benen úit het graf, met beide benen terug in de werkelijkheid. Het eeuwig leven is geen nieuw land achter de horizon van je pensioen.

Opstanding heeft alles te maken met opstaan nu! Je niet in slaap laten sussen! Klaarstaan, als mensen je vragen om met hen het kruis te dragen. Geloven in de opstanding betekent ook dat je gelooft in het feit dat hele volkeren kunnen opstaan ten leven - als wij dat écht zouden willen. Het woord "opstanding" heeft met "opstaan" te maken. En "opstaan" heeft weer te maken met ‘opstand’. Opstand waartegen? Een opstaan tegen iedere vorm van onderdrukking, slavernij en de kruisiging van volkeren en mensen. Geloven in de op­standing betekent ook dat je gelooft dat er een opstand tegen de dood mogelijk is.

Er zijn mensen die zeggen: wees niet bang voor de dood. Want als je leeft, is de dood er niet. En als de dood er is ben jij er niet meer. Geen mens komt zijn of haar eigen dood tegen! Maar christenen denken ánders over de dood. Zij zien de dood als rover, spelbre­ker, een onzalige levensverwoester. De dood die geen eerbied kent voor het leven, geen rekening houdt met de liefde, niet stopt, zelfs niet bij wieg of kinderkamer. Maar deze dood krijgt niet het laatste woord. Dat vieren we met Pasen: dat niet de dood, maar het leven het laatste woord krijgt van God.

Ieder mens kent van die doodservaringen. Wat dat betreft sterven we allemaal bij stukjes en beetjes. Onze teleurstellingen, onze mislukkingen, onze gebroken kontakten, idealen die we net niet halen, de dood van een vriend, verdachtmakingen door iemand die je zo vertrouwde, ouder worden, ziek worden, aftakelen. Soms treft de pijn zo hard dat je niet meer verder wilt! Je blijft staan, terwijl de karavaan van het leven verder trekt.

Soms ben je in staat je pijn te verbijten, te verwerken, er lering uit te trekken, er rijper door worden, en weer meetrekken met de levenskaravaan. Dit soort ervaringen zijn doodservaringen, want je kunt erin blijven steken! Je kunt erin verharden. Ze laten soms dodelijke littekens achter. Maar toch hoeven deze pijnlijke momenten je niet levensge­vaarlijk te verwonden. Maar wel plaatsen ze je voor een beslissing: graven we zelf ons eigen graf of willen wij opstaan ten leven? Dat is wat wij met Pasen mogen vieren. Dat de goede krachten van het leven het zullen winnen van de dood. Als we maar niet inslapen en indutten, maar solidair blijven met mensen die naast je staan. Is verrijzen iets anders dan weer op de been geholpen worden en overeind komen?

Ik denk dat de betekenis van het paasfeest is, dat het licht nooit helemaal kan worden weggedrongen, dat het nooit helemaal door de duisternis kan worden gedoofd, dat het leven nooit helemaal in de netten van de dood verstrikt kan raken, dat nooit alle vaste grond onder onze voeten verdwijnt. Pasen is leven met een uitzicht. Zonder Pasen loopt elk mens met de dood in zijn schoenen!

Als we de Bijbelverhalen goed lezen, dan zullen we ontdekken, dat het Jezus is gelukt om mensen die lamgeslagen neerliggen, notoire mislukkingen, in eenzaamheid opgesloten mensen, weer op de been te helpen. Zoals God Hem weer op de been geholpen heeft na die smartelijke vrijdag. In zijn Naam mogen we elkaar de vreugdevolle boodschap blij­ven aanzeggen: weest niet bang, want als je struikelt, zelfs over de grenzen van de dood, is het de Heer zelf die ons, dwars door elke dood, weer op de been zal helpen!

Ambro Bakker s.m.a.
Pastoor-deken RK Amstelland
Locatie: H. Augustinus