St. Augustinuskerk glas-in-lood H.Geest

Fiat voluntas tua, sicut in cælo et in terra

Uw wil geschiede, op aarde zoals in de hemel

De titel van de overweging

Kom volg mij, ik zal jullie vissers van mensen maken

Vier vissers, alle vier zijn ze bezig met hun werk, met hun vak. Zij woonden aan het meer van Galilea, ver ten noorden van Judea en Jeruzalem, zo’n tweeduizend jaar geleden. Galilea werd het land der heidenen genoemd. Onze moderne wereld wordt ook hoe langer hoe meer naar een ‘Galilea der heidenen’, met een mengeling van rassen, stammen en talen. Al die rassen en volken zoeken werk voor hun lijf, en licht voor hun geest. Ook de vier vissers, uit het land van de heidenen, werkten met hun handen voor hun bestaan. Toen kwam er iemand langs die hen riep: ‘Kom, volg Mij!’ Terstond lieten zij hun netten achter en volgende de man die hen riep. Wat gebeurt er hier? Iemand die van zichzelf zegt: ‘Ik ben het Licht van de wereld, en wie Mij volgt, dwaalt niet in de duisternis’.

Dit Licht van de wereld roept als eersten vier vissers uit Galilea. Waarom kiest Hij niet allereerst Priesters, Schriftgeleerden en Wijzen uit Judea of uit de heilige stad Jeruzalem? Die vissers gaan om met boten, netten, katrollen, touw en nog veel meer. Zij leven dicht in de natuur, kijken naar het weer en zijn thuis op het water. Jezus, als het Licht van de Wereld, zoekt dit soort mensen op. Zou het misschien zijn omdat die vier vissers leefden in de harmonie van hun lichaam en geest, van natuur en beschaving? Een volk dat in duisternis wandelt, is een volk waar de wijsheid verdwenen is, waar de werelden van lichaam en geest uit elkaar getrokken worden. Is dat misschien de reden waarom Jezus, ‘het Licht van de wereld’, allereerst vier vissers roept, vier werklui, vier mensen uit één stuk! De vier vissers zijn: Petrus en zijn broer Andreas, Jacobus en zijn broer Johannes, en de zonen van Zebedeüs. Jezus zal hen tot 'vissers van mensen maken'.

Matteüs verwijst naar de profeet Jesaia om aan te geven dat Jezus geen prijs stelt op individuele vroomheid, maar een aanpak van de maatschappelijke structuren. De hele verhuisscène plaatst Matteüs in het licht van Jesaja’s voorspelling in de eerste lezing: ‘Het juk dat op het volk drukt, de stang die op hun schouders ligt, en de stok van hun slavendrijvers zullen stukgebroken worden.’ Dat is het Koninkrijk van God waar het om gaat: de bevrijding van de mens. Dat die tijd aangebroken is, is het grote opwindende nieuws. Nog altijd gaat er van Jezus van Nazareth een ongekend Licht uit. De Ster van Bethlehem is nog niet gedoofd. Nog steeds - na 2000 jaar - zijn er mensen die, geïnspireerd door diezelfde Jezus, weg zijn getrokken naar de uiteinden van de aarde om daar het evangelie te verkondigen, niet in mooie woorden, maar vooral in concrete daden. Mensen die - in het voetspoor van de Ster van Bethlehem - er niet voor kiezen om het ene geldbriefje op het andere te stapelen.

Door velen van hen is in een donkere wereld een helder licht opgegaan: de Ster van Bethlehem. De Ster van Bethlehem kan een helder licht worden voor ons allemaal. Als we willen kan Hij weer de hoeksteen worden van ons leven. De apostelen zijn door Jezus ándere mensen geworden. Ook wíj kunnen veranderen als het centrum van ons leven niet gevormd wordt door ons eigen ik, maar door de liefde tot God en tot de mensen om ons heen. Dat doen we met open handen, want er zijn in onze wereld al genoeg gebalde vuisten! Dat is onze droom: mensen, zelfs hele volkeren, die elkaar de hand reiken.

Ik heb eens uitgezocht waar die gewoonte vandaan komt om elkaar de hand te schudden. Het gebruik stamt uit de Middeleeuwen. Ze geven elkaar een hand om te laten zien dat men ongewapend was. Kijk maar, van mij heb je niets te vrezen. Ook met oud en nieuwe hebben we vele handen geschud. Ongewapend zijn we het nieuwe jaar in gegaan. Een volgeling van Jezus heeft geen wapens op zak, of het zou het wapen van de liefde moeten zijn! Het zijn eigenlijk maar een paar regels die Matteüs wijdt aan de roeping van de leerlingen. Hij geeft geen ingewikkeld verhaal. Jezus komt langs en zegt: ‘Komt en volgt Mij’. En terstond laten ze hun netten in de steek vertelt hij ons. Matteüs laat ons een Jezus zien die niet van ingewikkelde toestanden houdt, slechts korte verhalen vertellen.

En wie oren heeft om te horen dat hij hore, zal hij later zeggen. Geen ingewikkelde theologie, geen raadsels, maar eenvoudige glasheldere, klare taal. Vanavond doet Matteüs ook een beroep op onze eigen keuzemogelijkheid. Vóór of tegen Hem. Dat is een klare taal. En elke dag stelt ons opnieuw voor die keuze. En de geschiedenis van het Volk van God laat zien dat Gods licht alleen door kan breken, wanneer het volk niet stilstraat, maar op weg durft te gaan en zijn roeping volgt. ‘Het volk dat in duisternis wandelt, zal eens een helder licht aanschouwen’, voorzegt de profeet Jesaia. Mensen, gezeten in doodse duisternis, zien een nieuw licht.

Zo ziet Matteüs de komst van Jezus Christus. In dat Galilea van de heidenen ontstaat de eerste Jezusbeweging. Opvallend genoeg niet in de hoofdstad Jeruzalem. Misschien mogen wij ook een nieuwe Jezusbeweging, een nieuwe Evangelisering verwachten. Nog beter: er zelf aan meedoen, als geroepenen. Het ‘Kom en volg Mij’ gaf het leven van Petrus en Andreas en het leven van de beide zonen van Zebedeüs een nieuwe wending. De vraag is of ook wij in deze tijd de roepstem van God verstaan: om van het Licht te blijven getuigen in een wereld, waar donkere wolken zich kunnen samenpakken…

Ambro Bakker s.m.a.